Limburgse mijnen

Home   Advertenties   Brievenrubriek   Medewerking   Vragen   Onderhoud site   Links   Bronnen   Contact   Auteursrechten

Bertha-Oost pijler

Hieronder een artikel over het werk in een pijler op de Staatsmijn Emma die 2.50 meter hoog was.

 www. limburgsemijnen:  Bron: DSM Nieuws maart 1964 © DSM Staatsmijnen

Moderne kolenfabriek op de Emma.

Bertha-Oost , vak 724, ten oosten van het remband boven opbraak 392 in de tweede noord steengang west op de 700-meter verdieping, zo luidt het officiële adres van de ''kolenfabriek'' van de Emma. Kolenfabriek lijkt me tenminste een juiste benaming voor een moderne pijler van de omvang als de onderhavige. Bertha-Oost is een voor onze onderneming  uitzonderlijke hoge pijler: gemiddelde bruto laagopening 2.50 meter. De lengte bedaagt 191 meter. De winning geschiedt gedeeltelijk mechanische, gedeeltelijk met de hand d.w.z. een ruimschaaf (type B) ontgint de onderste helft van de laag, de zgn. onderkool, terwijl de bovenste helft, de zgn. bovenkool, veelal met de afbouwhamer wordt afgestoken. De pijler is uitgebouwd in hydraulische stijlen type 25. De mannen die er werken, verstaan de kunst moderne mijnbouw te plegen. Per ronde dienst (dag-middag en nachtdienst) sturen zij gemiddeld 1500 wagens kolen naar de schacht. Kolen waaraan zo dringend behoefte bestaat.

Van zorgenkindje naar paradepaardje.

 

Zie hier in korte trekken de voornaamste personalia van Bertha-Oost, een van de paradepaardjes van de Emma.Dit is echter pas sedert kort. Heel lang is zij een groot zorgenkind geweest. De afdelingsboeken uit voorgaande jaren liegen er niet om. In Bertha-Oost werd hard gewerkt, maar kolen kwamen er niet uit, lang niet voldoende tenminste. Een paar willekeurige grepen: in juli 1962 40 diensten per 100 ton; in april 1963 eveneens 40 diensten per 100 ton en in de tweede week van januari van dit jaar 65 diensten per 100 ton. Maar dit was dan ook het keerpunt. Al gauw werd het weer 40 diensten pet 100 ton, toen zelfs 35,30,25, en momenteel 22 diensten per 100 ton.,, En dit is nog niet het eindpunt", zegt m.o Vankan van de instructieploeg, ,,we weten nu hoe het moet en elke dag gaat het beter"

Zij gaven de moed niet op.....

Hoe komt het nou dat het zo slecht is gegaan? De mannen die langer in Bertha-Oost werken wetn dat precies te vertellen; om de haverklap ging de pijler door de knieën. We konden bouwen wat we wilden, maar telkens brak het dak aan de koolrand door en drukte de zaak dicht naar de vulling" . Neen ongelukken zijn er nooit gebeurd. "D e berg waarschuwt van te voren. Als het steentjes gaat regenen moet je maken dat je uit de buurt komt; als het gaat kraken moet je een stapje harden gaan lopen en als de stijlen gaan dansen moet je zorge dat je weg bent".,,We hadden dikwijls gaten in het dak, daar kon je een huis met tuin en privé zwembad in plaatsen, zo groot" , zegt opzichter P. Brouns, met zijn hamer naar het dak wijzend. We kunnen een lang verhaal kort maken: het dak is bijzonder slecht en de vloer erg zacht. Geen enkele manier van bouwen bleek hiertegen bestand. Deskundigen bedachten nieuwe methodes, het personeel in de pijler voerde ze uit in de praktijk, met telkens weer hetzelfde resultaat: Berthe-Oost ging door de knieën. Kostbare energie en werkuren gingen verloren met het opruimen van de stenen en het opnieuw uitbouwen van de pijler, doch kolen kwamen er op die manier bitter weinig. En dat terwijl er kool in overvloed aanwezig was. Zo'n pijler moest constant kolen kunnen ,,spugen". Het is heel menselijk dat dit op de duur deprimerend ging werken; alle moeite was immers toch tevergeefs. Het zou zelfs menselijk geweest zijn las men de moed had opgegeven. Maar moderne mijnbouwers geven zo gauw de moet niet op. Dat hebben ze nooit gedaan, want mijnbouw is nooit een gemakkelijke job geweest. Onze mijnbedrijven zijn groot geworden dank zij de koppige volharding en het verwerken van tegenslagen van onze vaderen.

De strijd gewonnen....

Einde vorig werd er weer eens een nieuwe methode van uitbouwen voorgesteld: hydraulische stijlen (type 25) in parallelbouw geplaatst en G.H.H.-kappen van 1.20 meter onder het dak. ,,Nonsens", meenden sommige, Dat gaat zeker niet goed".vielen anderen hen bij.,,Het is te proberen'', drongen de voorstanders aan. ,,Baat het niet dan, het schaad ook niet, want nu komt er geen kool uit boven". Het uiteindelijk resultaat van veel besprekingen was, dat de proef genomen zou worden. En zo werd Bertha-Oost rond de jongste jaarwisseling uitgebouwd met hydraulische stijlen, die netjes op een rij werden geplaatst op een onderlinge afstand van 50 centimeter (om zo veel mogelijk stenen uit de vulling tegen te houden), drie rijen dik, terwijl als kappen G.H.H.- kappen van 1.20 meter werden aangebracht. Wat velen niet hadden durven hopen, gebeurde, Bertha-Oost gaf zich gewonnen. Na jaren strijd zegevierden de mijnbouwers over de krachten van de natuur. Berhta-Oost kon kolen sturen. Eerst moest men natuurlijk nog even aan de nieuwe werkwijze wennen, maar het duurde niet lang of iedereen had er plezier in. En dat is wel de voornaamste reden waarom men op het ogenblik zulke gunstige resultaten kan boeken.

Van alle markten thuis.

Van de normale cyclus: dagdienst - uitbouwen, middagdienst - schaven en de nachtdienst - roven, trekt men zich in Bertha-Oost bij voorkeur niets aan. Gezamelijk heeft men daar een eigen werkwijze geschapen, die uitstekend blijkt te voldoen. Iedereen bout of rooft al naargelang het nodig. Iedereen moet dus van alle markten thuis zijn en niemand hoeft zich ook maar een moment te vervelen. De leiding van deze uitvoerende werkzaamheden berust bij afdelingsopzichter P.Brouns, bijgestaan door de opzichters van de instructieploeg o.l.v. afdelingsopzichter J.van Helmond. Afhankelijk van de dakverhouding laten zij 40 á 50 centimeter schaven.

Grootse prestaties.

Daarna worden de G.H.H kappen één voor één ingehangen en goed opgevuld. Vervolgens wordt er vanaf de voet van de pijler naar boven toe bijgeschaafd tot 1.20meter waarna de stijlen onder de ingehangen kappen worden geplaatst. Tussen de bedrijven door houdt iedereen voortdurend de verraderlijke bovenkool in de gaten en als deze na het passeren van de schaaf niet gauw genoeg naar beneden valt wordt de afbouwhamer ter hand genomen. Is er tijd over dan wordt er meteen ook alles geroofd. Als alles volgens plan verloopt wordt er dus op één dienst in een gedeelte van de pijler geschaafd, in een gedeelte gebouwd en in een gedeelte geroofd. De bij dit geplaatst artikel foto's zijn dan ook door fotograaf Harry Driessen op één dienst in één uur gemaakt. Aan de kop van de pijler waren de houwers J. Fijen en L. Holtus bezig met roven. In het midden volgde houwer L.Sijben nauwgezet de verrichtingen van de schaaf. Iets verderop stak houwer J.Adams de bovenkool af en aan de voet van de pijler was men druk doende stijlen te plaatsen. Deze combinatie van werkzaamheden vereist uiteraard een goede samenwerking en liefde voor het vak. Daarbij wordt er dikwijls een grote vindingrijkheid aan de dag gelegd.

Vindingrijkheid.

Zo was men bijvoorbeeld bezig stijlen te zetten met behulp van een luchttakel . Dit lijkt nogal omslachtig en duidt op gemakzucht, zou men geneigd zijn te denken; maar de betrokken houwres oordelen daar anders over:,,Als we de stijlen met de hand plaatsen, zijn we naar tien stijlen doodmoe. Nu zetten we er met gemak 40". Wilt u er rekening mee houden dat er in de pijler 1200 van deze stijlen staan. G3een gemakzucht dus, maar belangstelling voor een zo goed mogelijke gang van zaken. De praktijk heeft inmiddels al lang uitgewezen, dat dit inderdaad de meest effectieve manier van werken is. Dank zij deze voortreffelijke werkinstellingen de bovengenoemde verdeling van het werk kon het aantal centimeters vooruitgang per ronde dienst uitkomen op140 centimeter. Per ronde dienst wordt er derhalve 20 centimeter extra gewonnen; dat betekend één meter extra in de week. Inmiddels is het hier niet bijgebleven, want men haalt momenteel 160 centimeter per ronde dienst en naar men mij tijdens het boeteren verzekerde zou dit nog niet het einde zijn. Ik mag zeker wel even vermelden dat deze prestaties geleverd worden door 37 houwers op de dagdienst, 34 op de middagdienst en 32 op de nachtdienst ( totaal 103 ) plus 4 bankwerkers van de W-afdeling ( 1 op de dag-, 1 op de middag-, en twee op de nachtdienst) en 2 elektri-dienst, 3 op de middagdienst  op dag- en 1 op de middagdienst.

Toen ik dit alles gehoord en gezien had was het voor mij duidelijk, waarom men vanaf de Emma ,,tipte": Ga eens in Bertha-Oost kijken. Daar wordt moderne mijnbouw gepleegd: vakkennis en liefde voor het vak leveren daar met behulp van de moderne techniek prestaties, die niet 700 meter diep begraven mogen worden.

Winus de Rouw.

www.limburgsemijnen Bron: DSM Nieuws maart 1964 © DSM Staatsmijnen